Van het Rijk ontvangen onderwijsgelden: wel of geen vergoeding voor een btw-prestatie?



Zijn van het Rijk ontvangen onderwijsgelden wel of geen vergoeding voor een btw-prestatie? Het moet de toerekening plaatsvinden in de diverse scenario’s?

Het Hof Den Bosch zegt het volgende over de toepassing van de pro rata bij een onderwijsinstelling. De zogenoemde pro rata wordt toegepast bij ondernemers die zowel belaste als vrijgestelde omzet genereren. De schoolkantine omzet is btw-belast, maar de vraag is of de onderwijsvergoeding die het Regionaal Opleidingscentrum (hierna: het ROC) van het Rijk ontvangt, btw-vrijgestelde omzet is. Het Hof concludeert dat de ontvangen gelden geen vergoeding voor een btw-prestatie vormen en dat het ROC voor die activiteiten derhalve niet als btw-ondernemer optreedt. Op basis van deze conclusie kunnen deze gelden geen onderdeel uitmaken van de pro rata berekening, omdat in deze berekening alleen vergoedingen mogen worden opgenomen die de instelling in zijn hoedanigheid van ondernemer (in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968) verkrijgt.

De pro rata berekening heeft tot doel de aftrek van btw vast te stellen op met name overheadkosten. Maar ontegenzeggelijk hebben deze kosten mede betrekking op de onderwijsactiviteiten. Hoe moet dan de toerekening plaatsvinden?

Uitwerking
De onderwijsinstelling heeft btw betaald op onderhoudskosten (overheadkosten) aan haar schoolgebouwen. Zij wil hiervan een deel in aftrek brengen. Stel dat haar totale opbrengsten € 80.000.000 bedragen, waarvan € 60.000.000 niet is aan te merken als een vergoeding in de zin van de omzetbelasting. Dan treedt de school voor 25% (20/80) op als btw-ondernemer. Stel dat van de vergoedingen genoten als ondernemer 60% btw-vrijgestelde omzet betreft, dan treedt de school voor 10% (40% maal 25%) op als belaste btw-ondernemer. Indien de btw op het onderhoud van de schoolgebouwen €95.000 heeft bedragen, kan de onderwijsinstelling een bedrag van € 9.500 op de btw-aangifte in aftrek brengen.

Volgens het Hof vormen de onderwijsgelden van het Rijk dus geen vergoeding voor een prestatie wat nog een ander aspect oplevert. Omdat de onderwijsinstelling voor een belangrijk deel niet als btw-ondernemer optreedt, zal zij voor de werkzaamheden in dat kader niet worden getroffen door een integratieheffing. Dit is in belangrijke mate van toepassing op nieuwbouwactiviteiten (in het voorbeeld hiervoor is dat 75%). Het is dan voor het ROC gunstig dat de grond onder de werking van de overdrachtsbelasting door haar in eigendom wordt verkregen. Bij een verwerving voor nieuwbouw voor een bedrag van € 5.000.000 zal de overdrachtsbelasting € 300.000 bedragen, terwijl bij btw-heffing een bedrag van € 950.000 in rekening wordt gebracht waarvan € 95.000 aftrekbaar is. Per saldo een besparing van € 555.000 (€ 950.000 – € 95.000 – € 300.000).

De (gemeentelijke) praktijk
Al het voorgaande heeft ook gevolgen voor ander wettelijk geregeld en gefinancierd onderwijs, waaronder het primair en voortgezet onderwijs. De financiering van de huisvesting verloopt via de gemeente. Omdat u dan ook te maken hebt met instellingen die grotendeels als niet-ondernemer kwalificeren, is het voor gemeente zaak fiscaal scherp te koersen. Zeker in een tijd waarin de integratieheffing nog steeds onder vuur ligt.

Colofon:
Ed Plat is als adviseur werkzaam bij EFK Belastingadviseurs, kantoor Alkmaar.Voor meer informatie: eplat@efkbelastingadviseurs.nl, 072-535 05 25.

Laat je mening horen!

Laat een reactie achter.
mocht je een afbeelding wensen bij je reactie, klik dan hier gravatar!

Of kies uit nieuws categorieën