Personeelslening eigen woning: aanpassing gepland



Een werkgever kan zijn werknemer – onder voorwaarden – een laagrente of zelfs renteloze lening verstrekken, zonder dat het rentevoordeel bij de werknemer als belast loon wordt aangemerkt. Minister Dijsselbloem van Financiën heeft aangegeven dat hij de onbelaste rentekorting per 1 januari 2015 wil gaan aanpassen voor personeelsleningen voor een eigen woning. De aanpassing vloeit voort uit de per 1 januari 2014 gewijzigde regels voor de aftrek van eigenwoningrente. De aanpassing zal worden meegenomen in het Belastingplan 2015.

Als een werkgever zijn werknemer een laagrentende of renteloze lening verstrekt, geniet de werknemer een voordeel uit dienstbetrekking. Dat rentevoordeel is in beginsel belast loon. Past de werkgever de werkkostenregeling (WKR) toe, dan wordt het belastbare rentevoordeel gesteld op het verschil tussen de marktrente en de door de werknemer betaalde rente. Heeft de werkgever nog gekozen voor de oude regeling van vrije vergoedingen en verstrekkingen (hierna: de overgangsregeling) dan wordt het loonbestanddeel gesteld op het verschil tussen een vaste normrente – voor 2014 is dat 4% – minus de rente die de werknemer betaalt.

Het rentevoordeel kan onder voorwaarden belastingvrij worden verstrekt.
Werkgevers die onder de WKR vallen kunnen het rentevoordeel op nihil waarderen als de werknemer het geleende geld gebruikt voor:

aankoop, onderhoud of verbetering van de eigen woning, mits de werknemer het bedrag van het rentevoordeel als hij dat wél had moeten betalen als eigenwoningrente in aftrek had kunnen brengen op zijn inkomen in box 1;
de aanschaf van een (elektrische) fiets of scooter, mits hij de fiets of scooter voor (een deel van) zijn woon-werkverkeer gebruikt op meer dan de helft van zijn werkdagen.

Valt de werkgever nog onder de overgangsregeling, dan is een ruimer belastingvrij gebruik van de personeelslening mogelijk. Het rentevoordeel blijft onbelast als de werknemer het geleende geldbedrag gebruikt voor de aanschaf van zaken waarvoor de werkgever hem een vrije vergoeding of verstrekking had kunnen geven. Denk aan een ov-jaarkaart, een laptop en dergelijke. En als de werknemer de personeelslening gebruikt voor een eigen woning, mits voldaan is aan de volgende, cumulatieve voorwaarden:

de werknemer gebruikt de lening voor de aankoop of verbouwing van de eigen woning,
de werknemer toont dat met schriftelijk bescheiden – aankoopbewijs, nota’s – aan en levert die bescheiden bij zijn werkgever in,
de werknemer geeft aan de werkgever door welk deel van de lening bij hem voor de heffing van inkomstenbelasting als eigenwoningschuld kan worden aangemerkt,
de werkgever bewaart die verklaring van de werknemer bij zijn loonadministratie en vermeldt in de aangifte loonheffing dat sprake is van een rentevoordeel dat niet tot het loon is gerekend.

Door deze voorwaarden is het belastingvrije rentevoordeel beperkt tot het bedrag dat de werknemer ter zake als eigenwoningrente in aftrek had kunnen brengen op zijn inkomen in box 1 als hij die rente wel had moeten betalen.

Dat de rentekorting op een personeelslening voor de eigenwoning niet wordt belast heeft een praktische reden. Zou de rentekorting wel belast worden, dan staat tegenover dat loon bij de werknemer een evengrote aftrekpost als eigenwoningrente. En dat verandert vanaf 1 januari 2014.
Het belastingtarief waartegen de aftrek van hypotheekrente plaatsvindt, wordt vanaf 2014 jaarlijks met 0,5% verlaagd. Zie ook BelastingBelangen, oktober 2012: Renteaftrek eigen woning in 2013 en volgende jaren. Door deze beperking vindt de renteaftrek in de inkomstenbelasting – in veel gevallen – niet meer plaats tegen hetzelfde tarief als waartegen de rentekorting in de loonheffing belast zou zijn. De regeling is dan langer fiscaal neutraal, en dat vindt Financiën ongewenst. De rentekorting zal worden aangepast in het Belastingplan 2015.

Commentaar
De aanpassing van de regeling kan voor de werkgever en de werknemer toch nog fiscaal zonder gevolgen blijven indien en voorzover het rentevoordeel in de vrije ruimte van de WKR kan worden opgenomen. Voor de werkgever heeft een en ander wel aanzienlijke administratieve gevolgen. De werkgever moet per werknemer vaststellen wat de omvang is van de – maandelijks – verleende rentekorting, en hij moet beslissen of hij dit voordeel gaat verlonen of geheel of gedeeltelijk als eindheffingsbestanddeel onder de WKR wil brengen. Dat roept weer de vraag op of de vrije ruimte wel voldoende soelaas biedt. Als de werkgever de rentekorting verloont, is hij daarover bij werknemers met een jaarsalaris van minder dan € 51.414 premies werknemersverzekeringen en de bijdrage Zorgverzekeringswet verschuldigd.

Bron: BelastingBelangen.

Laat je mening horen!

Laat een reactie achter.
mocht je een afbeelding wensen bij je reactie, klik dan hier gravatar!

Of kies uit nieuws categorieën