Pensioen in eigen beheer: wordt het OBR of OSEB?



Staatssecretaris Wiebes van Financiën heeft pal vóór het zomerreces een brief naar de Tweede Kamer gestuurd en daarin twee mogelijke oplossingen aangereikt voor de fiscale problemen rondom het pensioen in eigen beheer. Het gaat om de oudedagsbestemmingsreserve (OBR) en het oudedagssparen in eigen beheer (OSEB). De staatsecretaris gaat in september hierover in overleg met de Tweede Kamer.

Veel directeuren-grootaandeelhouders zijn uitgekeken op pensioen in eigen beheer. Het grote verschil tussen de fiscale en commerciële waardering van hun pensioenverplichtingen heeft tot gevolg dat de BV geen dividend meer kan uitkeren en dat zij in de toekomst verplicht zijn om het volledige vermogen in de BV als pensioenuitkering – tegen 52% belastingheffing – op te nemen. Veel DGA’s zijn om die reden gestopt met een verdere pensioenopbouw. Zie ook BelastingBelangen, december 2013: De toekomst van pensioen in eigen beheer; Eindejaartips 2014 voor ondernemers met een BV, november 2014: Dividenduitkeringen of afkoop pensioen? en Pensioen in eigen beheer: hoe nu verder?
Staatssecretaris Wiebes vindt de huidige systematiek van de pensioenopbouw in eigen beheer te ingewikkeld. Hij draagt in zijn brief twee alternatieven aan, de oudedagsbestemmingsreserve (OBR) en het oudedagssparen in eigen beheer (OSEB). Daarbij geeft hij in hoofdlijnen aan hoe de overgang van de huidige systematiek naar het nieuwe stelsel kan plaatsvinden. De nieuwe fiscale behandeling voor pensioen in eigen beheer moet passen binnen de al eerder genoemde randvoorwaarden, te weten:

het pensioengeld moet binnen de onderneming als werkkapitaal beschikbaar blijven;
het moet mogelijk zijn om een regeling te treffen voor (potentiële) nabestaanden, en
de aanpassing van de fiscale behandeling moet budgettair neutraal zijn.

De oudedagbestemmingsreserve (OBR) biedt de DGA de mogelijkheid om jaarlijks een deel van de winst van de BV te reserveren voor zijn oudedagsvoorziening. De jaarlijkse toevoeging is een (nog vast te stellen) vast percentage van de pensioengrondslag van de DGA, tot een maximum van € 100.000, en te verminderen met de franchise van € 11.936 (bedrag 2015). Door een vast percentage te hanteren voor de jaarlijkse reservering wordt geen rekening meer gehouden met leeftijd, verschil in sterftekansen etc. Door de jaarlijkse toevoeging kan verlies in de BV ontstaan. De OBR is onderdeel van het fiscale vermogen van de BV; op de commerciële balans hoeft deze reserve niet te worden vermeld.
De OBR biedt in de opbouwfase geen juridisch afdwingbare pensioenrechten voor de DGA en zijn partner. Dat heeft tot gevolg dat wanneer de DGA gaat scheiden een verevening van pensioenrechten niet aan de orde is. De DGA moet op de pensioendatum of bij verkoop van de aandelen in zijn BV de OBR benutten om een lijfrente aan te kopen bij een professionele verzekeraar. De DGA kan er ook voor kiezen om de oudedagsuitkeringen door de BV zelf te laten doen, in beginsel gedurende 20 jaar. De uitkeringen zijn belast in box 1. Wordt de OBR niet aangewend, dan valt die vrij ten gunste van de winst van de BV en is daarover vennootschapsbelasting plus revisierente verschuldigd.

Bij het oudedagssparen in eigen beheer (OSEB) kan de DGA er voor kiezen om jaarlijks een bepaald deel van zijn loon te sparen voor de oudedag. De jaarlijkse reservering kan gebaseerd zijn op een staffel, of – net als bij de OBR – een vast opbouwpercentage. Als de DGA in enig jaar niets reserveert, kan hij dat later niet inhalen. De OSEB-spaarpot wordt jaarlijks opgerent met de marktrente. Bij deze variant ontstaan er voor de DGA en zijn partner wél direct juridisch afdwingbare rechten op het ‘spaarpotje’. De oudedagsspaarverplichting komt op de balans en representeert de aanspraak van de DGA. De OSEB-verplichting is fiscaal en commercieel vreemd vermogen. De OSEB moet op de pensioendatum of bij verkoop van de aandelen in de BV worden omgezet in een lijfrente, een lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht, met een recht op jaarlijks gelijkblijvende uitkeringen gedurende 20 jaar. Dat kan bij een professionele verzekeraar, bank of beheerder van een beleggingsinstelling, of bij de eigen BV. Wordt de OSEB niet omgezet in een recht op periodieke uitkeringen, dan valt die alsnog vrij ten gunste van de winst, met heffing van vennootschapsbelasting en 20% revisierente.

Overgangsrecht
Het overgangsrecht biedt de DGA de mogelijkheid om al dan niet over te stappen naar de OBR. Hij kan de pensioenreservering in eigen beheer voor de fiscale waarde omzetten in een OBR, zonder dat ter zake loon- of vennootschapsbelasting verschuldigd is. De DGA kan er ook voor kiezen zijn pensioenreserve aan te houden. Een verdere opbouw is niet meer mogelijk, de DGA kan wel in de OBR gaan reserveren.
Ook bij OSEB kan de bestaande pensioenreserve, ook voor de fiscale waarde, zonder belastingheffing worden omgezet in een oudedagsspaarverplichting.
Het omzetten van de huidige pensioenreservering voor de fiscale waarde betekent de facto het ‘afzien van pensioenrechten’. Dat leidt niet tot belastingheffing, maar vergt – uiteraard – wél de instemming en medeondertekening door de partner van de DGA.

De staatssecretaris geeft aan dat hij een voorkeur heeft voor de OSEB. Hij wil het pensioendossier in september met de Tweede Kamer bespreken en hij streeft er naar de wettelijke regeling per 1 januari 2016 aan te passen.

Commentaar
De brief van Financiën is duidelijk: het pensioen in eigen beheer in zijn huidige vorm komt binnenkort te vervallen. Veel DGA’s zullen daar niet rouwig om zijn. En de keuze tussen de OBR en OSEB zal hen ook niet in vervoering brengen. Hun belangstelling gaat uit naar het overgangsrecht: hoe kan de bestaande pensioenpot fiscaal vriendelijk worden benut. Door de pensioenreserve om te zetten in de OBR of OSEB komt – in de toekomst – een dividenduitkering weer in beeld, maar dan moet de partner wel meetekenen. Voor gescheiden DGA’s is dat een heuse uitdaging als de pensioenrechten van de ex niet bij derden zijn afgestort. En waarom biedt het overgangsrecht niet de mogelijkheid om de pensioenreservering gewoon te laten vrijvallen en aan de winst van de BV toe te voegen. De wetgever zou daarbij dan wel – realiter – moeten afzien van de heffing van revisierente.

Terug naar overzicht

Laat je mening horen!

Laat een reactie achter.
mocht je een afbeelding wensen bij je reactie, klik dan hier gravatar!

Of kies uit nieuws categorieën