Opzettelijk foute aangifte bestraft met hoge boete



Als een BV haar aangifte vennootschapsbelasting opzettelijk onjuist of onvolledig indient, kan de inspecteur die BV – tegelijk met de aanslag – een vergrijpboete opleggen. Reden voor de boete is dat er door de opzet of grove schuld van de belastingplichtige mogelijk te weinig belasting zal worden geheven. De boete kan oplopen tot 100% van de ‘gemiste’ belasting. Een recente procedure toont aan dat zo’n onjuiste aangifte wel erg duur kan uitpakken.

BV X hield zich bezig met projectontwikkeling in de vastgoedsector. De BV liet een kantoorpand bouwen en verhuurde vanaf 1 juli 2001 enkele etages in dat pand, de overige verdiepingen bleven leegstaan. In juli 2007 verkocht de BV het pand en behaalde daarbij een boekwinst van ruim € 6 miljoen. De BV wilde die boekwinst niet tot de winst over 2007 rekenen, maar die in een herinvesteringsreserve (HIR) stoppen. BV X vroeg haar belastingadviseur naar de mogelijkheden om een HIR te vormen, maar die was van mening – na een oriënterend overleg met de belastinginspecteur over deze zaak – dat dat niet mogelijk was. Het verkochte kantoorpand kon binnen het vermogen van BV X niet als een bedrijfsmiddel worden aangemerkt, het pand behoorde tot de voorraad, het was steeds bestemd voor de verkoop. En dat maakte de vorming van een HIR onmogelijk. De BV had het pand in 2001 in de verhuur gedaan, niet om het zelf langdurig te gaan exploiteren, maar om het tegen een betere prijs te kunnen verkopen.

De adviseur baseerde zijn standpunt ook op het feit dat BV X bij de verkoop van het pand een beroep op de projectontwikkelaarresolutie had gedaan (voor de niet verhuurde etages) om de samenloop van BTW en overdrachtsbelasting te vermijden. Om die resolutie te kunnen toepassen moest BV X schriftelijk verklaren dat zij niet van plan was geweest om het kantoorpand zelf te gaan exploiteren. Die verklaring was opgenomen in de koop-verkoopovereenkomst.  De BV negeerde de opvatting van haar adviseur en vormde een HIR voor de boekwinst op het pand. Die HIR werd ook in de aangifte Vennootschapsbelasting 2007 opgevoerd.  De inspecteur corrigeerde de aangifte: hij rekende de boekwinst alsnog tot de winst, en legde de BV tegelijk met de aanslag vennootschapsbelasting een vergrijpboete op van 50%. De boete matigde hij tot € 300.000. Op de aanslag werd € 201.647 heffingsrente in rekening gebracht.

BV X ging in beroep tegen de aanslag én de boete.  Rechtbank Gelderland maakte korte metten met het verweer van BV X. Het kantoorpand kwalificeerde niet als bedrijfsmiddel, en daardoor kon er geen HIR worden gevormd. De Rechtbank baseerde die beslissing met name op de verklaring van de BV in de koop-verkoopovereenkomst dat zij niet de bedoeling had gehad om het pand zelf te gaan exploiteren. Zij had het kantoorpand ontwikkeld met de overheersende bedoeling om dat bij de eerste geschikte gelegenheid te verkopen.  Bij de beoordeling van de boete overwoog de rechtbank dat de Belastingdienst moest aantonen dat er sprake was van (voorwaardelijk) opzet bij het indienen van de onjuiste aangifte. Daarbij is niet alleen vereist dat belanghebbende wist dat er aanmerkelijke kans bestond dat door de aangifte te weinig belasting zou worden geheven, maar ook dat hij die kans bewust had aanvaard. De Rechtbank concludeerde dat de inspecteur aan die bewijslast had voldaan: de BV wist – door het overleg met haar adviseur én met de Belastingdienst – dat het vormen van een HIR niet mogelijk was. Door die toch in de aangifte op te voeren was het enkel en alleen aan voorwaardelijk opzet van de BV zelf te wijten dat een onjuiste aangifte was gedaan. De Rechtbank vond de boete passend en geboden, maar verminderde die nog wel met € 5.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Commentaar
Deze uitspraak heeft een hoog waarschuwend karakter: de aangifte kan niet worden beschouwd als een ‘eerste bod’ richting de Belastingdienst. De ondernemer die dat wél doet, kan daar fors voor worden bestraft.

Reageren op dit artikel is niet mogelijk.

Of kies uit nieuws categorieën