Oostenrijkse belasting in strijd met EU-recht



De Oostenrijkse rechter heeft in een tweetal zaken prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie. Beide zaken hebben betrekking op de beperkte verrekeningsmogelijkheid in de vennootschapsbelasting ter zake van buitenlandse dividenden.

Het Oostenrijkse Haribo Lakritzen Hans Riegel betriebsgmbH ontvangt (beleggings)dividenden uit lidstaten van de EU en derde landen. De Oostenrijkse belastingdienst weigert om de buitenlandse dividenden vrij te stellen van belasting nu niet aan de voor de vrijstelling van buitenlandse dividenden gestelde voorwaarden is voldaan. Volgens de A-G is het stellen van een minimumbelang in de deelneming niet in strijd met het vrije kapitaalverkeer. De rechtvaardiging voor dit onderscheid ten opzichte van binnenlandse dividenden kan worden gevonden in het feit dat het bij buitenlandse deelnemingen moeilijker zal zijn om de gegevens te verstrekken over de eerder geheven buitenlandse vennootschapsbelasting.
Oostenrijkse belasting in strijd met EU-recht
De A-G is van mening dat het wel in strijd is met het vrije kapitaalverkeer indien beleggings-dividenden uit beleggingen in derde landen niet voor verrekening van de buitenlandse vennootschapsbelasting in aanmerking komen, terwijl dit wel het geval is voor binnenlandse beleggingsdividenden.

Het Oostenrijkse Österreichische Salinen AG geniet in 2002 buitenlandse (beleggings)dividenden. In 2002 was er sprake van een verlies. Nu er sprake is van buitenlandse belangen van minder dan 25% stelt de Oostenrijkse belastingdienst deze dividenden niet vrij van belasting. De buitenlandse dividenden verminderen – door het niet van toepassing zijn van de vrijstelling – het in de toekomst te verrekenen verlies. Daarnaast kan de eerder geheven buitenlandse vennootschapsbelasting niet worden verrekend. Hierdoor ontstaat uiteindelijk een dubbele belasting, waarvoor volgens de A-G geen rechtvaardiging bestaat. De A-G is derhalve van mening dat deze regelgeving in strijd is met het vrije kapitaalverkeer.

Vanuit Nederlands perspectief is deze conclusie relevant voor de zogenoemde niet-beleggings-deelnemingen. Voor deze deelnemingen geldt dat indien deze in landen buiten de EU gevestigd zijn (de zogenaamde: “derde landen”), er niet gekozen kan worden voor de verrekening van de daadwerkelijk aldaar betaalde belasting. Er vindt in alle gevallen een forfaitaire verrekening ter hoogte van 5% van de voordelen plaats. Gelet op de conclusie van de A-G zou dit in strijd kunnen zijn met het vrije kapitaalverkeer. Totdat het Hof van Justitie het arrest in deze zaken heeft gewezen, adviseren wij in voorkomende gevallen contact op te nemen met de vakgroep EU-recht.

Mocht u meer willen weten over europeesrechtelijke onderwerpen, dan kunt u zich kosteloos abonneren op de nieuwsbrief van de BDO Vakgroep EU-recht via EU-recht@bdo.nl.

Laat je mening horen!

Laat een reactie achter.
mocht je een afbeelding wensen bij je reactie, klik dan hier gravatar!

Of kies uit nieuws categorieën