Hoge Raad stelt de Europese rechter vragen over de integratieheffing



De Hoge Raad heeft op vrijdag 13 mei 2011 prejudiciële vragen gesteld aan de Europese rechter over het toepassingsbereik van de integratieheffing.

Een gemeente verhuurde jarenlang sportgrasvelden aan sportverenigingen. Dit gebeurde met toepassing van de btw-vrijstelling voor verhuur van onroerende zaken. In 2003/2004 zijn de grasvelden vervangen door korfbalvelden en voetbalvelden met kunstgras en zijn de handbalvelden geasfalteerd. De gemeente zet de btw-vrijgestelde verhuur voort en opteert niet voor toepassing van het btw-regime voor het geven van gelegenheid tot sportbeoefening.

De inspecteur constateert dat op de grasvelden nieuwe onroerende zaken zijn vervaardigd, die btw-vrijgesteld worden geëxploiteerd. Hiermee is voldaan aan de eisen die de Nederlandse wet stelt aan toepassing van de integratieheffing. De inspecteur legt een naheffingsaanslag op, waarbij hij effectief alleen btw heft over de grondwaarde van de velden. De gemeente had van de aanlegkosten namelijk geen aftrek gepleegd.

De gemeente legt de zaak voor aan de rechtbank in Den Haag. Die stelt haar in het ongelijk. Bij het gerechtshof in Den Haag heeft ze meer succes. Het hof oordeelt dat de ondergrond van de velden geen onderdeel mag uitmaken van de heffingsgrondslag voor de integratielevering. De staatssecretaris van Financiën komt tegen dit oordeel in cassatie bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad moet de vraag beantwoorden of de Nederlandse toepassing van de integratieheffing in lijn is met de (hogere) Europese btw-richtlijn. Nadat de Advocaat-Generaal concludeert tot een bevestigend antwoord, houdt de Hoge Raad de zaak een jaar in beraad. Uiteindelijk constateert onze hoogste nationale rechter dat er te veel onduidelijkheid is over de strekking en precieze reikwijdte van de btw-richtlijn op dit onderdeel. De Hoge Raad acht het op grond Europese rechtspraak verdedigbaar dat de richtlijn slechts beoogt een genoten recht op aftrek te herzien of te corrigeren nadat het gebruik wijzigt. Daarin past het niet btw te heffen over grond waarvoor nooit btw-aftrek heeft plaatsgevonden. De toelichting op een eerdere versie van de btw-richtlijn lijkt deze ruimte echter wel te bieden. De Hoge Raad ziet in de onduidelijkheid aanleiding het geding te schorsen en het Hof van Justitie van de Europese Unie te verzoeken een aantal vragen te beantwoorden.

EFK Belastingadviseurs neemt al jaren het standpunt in dat de integratieheffing slechts tot correctie van eerder in aftrek gebrachte btw mag leiden. De Europese rechter wijst vaak binnen een jaar arrest. De Hoge Raad is aan dit oordeel gebonden. Voorlopig adviseren wij de integratieheffing conform de nationale regels aan te geven en vervolgens bezwaar in te stellen. Woningcorporaties treden dan transparant op richting de fiscus zonder rechten te verspelen.

Colofon

Ed Schwering is als adviseur werkzaam bij EFK Belastingadviseurs, kantoor Alkmaar. Voor meer informatie: info@efkbelastingadviseurs.nl, telefoon 072 53 50 525.

Laat je mening horen!

Laat een reactie achter.
mocht je een afbeelding wensen bij je reactie, klik dan hier gravatar!

Of kies uit nieuws categorieën