Fiscale Veranderingen 2010



Op minfin.nl treft u de wetsvoorstellen aan die hebben geleid tot het Belastingplan 2010. 

Het Kabinet heeft op Prinsjesdag, dinsdag 15 september 2009, de fiscale plannen voor 2010 bekend gemaakt.
De focus van het Belastingplan 2010 is “meer en makkelijker ondernemen” Staatssecretaris Jan Kees de Jager zegt het als volgt: “Ondernemers zijn de ruggengraat van de economische ontwikkeling. Ze zijn de motor achter werkgelegenheid, productiviteit en groei. Daarom zet ik voor 2010 stevig in op het eenvoudiger en aantrekkelijker maken van ondernemen”.

De fiscale plannen voor 2010 zijn opgenomen in diverse wetsvoorstellen: het Belastingplan 2010, het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2010, de Fiscale Onderhoudswet 2010, de Fiscale Vereenvoudigingswet 2010 en de Wet Uniformering Loonbegrip.

De belangrijkste voorstellen worden hieronder kort toegelicht. Een diepgaander beschouwing kunt u verwachten in het komende nummer van BelastingBelangen.

Het stuk is van de hand van Hans Zwagemaker.

BEVORDEREN ONDERNEMERSCHAP / IB-ONDERNEMERS

1.   Verhogen MKB-winstvrijstelling; afschaffen urencriterium
De MKB-winstvrijstelling wordt verhoogd van 10,5% naar 12%. Hierbij vervalt het urencriterium, zodat ook deeltijdondernemers en ondernemers met daarnaast een dienstbetrekking, van de MKB-winstvrijstelling gebruik kunnen maken.
De MKB-winstvrijstelling geldt voor de jaarlijkse winst én voor de stakingswinst. Het afschaffen van het urencriterium voor de MKB-winstvrijstelling maakt het aantrekkelijker om een onderneming te starten.

2.   Zelfstandigenaftrek, gericht op winst
De zelfstandigenaftrek kan vanaf 2010 uitsluitend nog verrekend worden met winst uit onderneming, niet meer met andere inkomsten zoals loon of een VUT-uitkering. Als de zelfstandigenaftrek door deze aanscherping in een jaar niet verrekend kan worden, kan de aftrek alsnog verrekend worden met de winst uit onderneming in de negen daarop volgende jaren.
Een uitzondering geldt voor starters. Zij kunnen – net als thans – de zelfstandigenaftrek verrekenen met andere inkomsten.

3.   Verruimen investeringsaftrek
De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek wordt verruimd. Het maximale percentage van de KIA gaat omhoog van 25% naar 28%. Onder de voorgestelde regeling bedraagt de maximale investeringsaftrek € 15.120, die bereikt wordt bij een investering van € 54.000 tot € 100.000. Het maximumbedrag van de KIA-investeringen wordt verhoogd tot € 300.000.
De budgetten voor de milieu-investeringsaftrek (MIA) en de energie-investeringsaftrek (EIA) worden aanzienlijk verruimd.

4. Verlenging willekeurige afschrijving
Om de liquiditeits- en financieringspositie van bedrijven te verbeteren, heeft het kabinet al eerder dit jaar – in het kader van het Crisispakket – een tijdelijke willekeurige afschrijving voor bedrijfsmiddelen ingevoerd. Met deze faciliteit kunnen de aangewezen bedrijfsmiddelen in twee jaar tijd, in 2009 en in 2010, met 2 x 50% worden afgeschreven.
Deze maatregel wordt met een jaar verlengd. Deze faciliteit geldt zowel voor ondernemers in de inkomsten- als vennootschapsbelasting.

BEVORDEREN ONDERNEMERSCHAP / VPB-ONDERNEMERS

1.   Verruiming verliesverrekening
De achterwaartse verliesverrekening – de carry-back – wordt tijdelijk verruimd. Voorgesteld wordt om de achterwaartse verliesverrekening voor de belastingjaren 2009 en 2010 weer op drie jaar te stellen, de termijn zoals die tot 2007 van toepassing was. Een verlies uit 2009 kan dan verrekend worden met winsten uit 2006, 2007 en 2008, een verlies uit 2010 met winsten uit 2007, 2008 en 2009. De verruimde carry-back wordt op verzoek verleend.
Keerzijde van de medaille is dat de verruimde carry-back ten koste gaat van de voorwaartse verliesverrekening. Bij een carry-backtermijn van drie jaar wordt de termijn van de voorwaartse verliesverrekening ingekort tot zes jaren. Voor de extra carry-back geldt een plafond van € 10 miljoen verlies per jaar.

2. Versoepeling regime deelnemingsvrijstelling
De deelnemingsvrijstelling is per 1 januari 2007 ingrijpend herzien. Sinds 2007 is de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing als de dochtervennootschap kwalificeert als een zogenaamde laagbelaste beleggingsdeelneming. Dit is het geval als de dochtervennootschap in het land van vestiging is onderworpen aan een belasting van minder dan 10% én haar bezittingen voor meer dan 50% bestaan uit vrije beleggingen. Beide criteria zijn complex geregeld, waardoor in concrete situaties bijna zelden zekerheid kan worden gegeven of de deelnemingsvrijstelling van toepassing is.
Het kabinet stelt voor om de voorwaarden voor de laagbelaste beleggingsdeelneming belangrijk te versoepelen. Kern van deze versoepelde regeling is dat er een oogmerktoets wordt ingevoerd: er is geen sprake van een laagbelaste beleggingsdeelneming als de moedervennootschap de aandelen in de dochtervennootschap niet als belegging houdt. Doel van de versoepelingen is dat straks vaker dan nu de deelnemingsvrijstelling van toepassing zal zijn op een belang van ten minste 5% in de buitenlandse dochtervennootschap. Dat is goed nieuws voor het Nederlandse bedrijfsleven dat investeert in buitenlandse dochtervennootschappen.

3. Van octrooibox naar innovatiebox
De vennootschapsbelasting kent een bijzonder regime voor opbrengsten uit octrooien, patenten, en dergelijke, en uit immateriële activa die opkomen uit speur- en ontwikkelingswerk (S&O-werk) waarvoor een S&O-verklaring is afgegeven. Deze opbrengsten worden belast tegen 10%. De regeling is ingewikkeld opgezet met allerlei beperkende voorwaarden, plafonds, bedoeld om de octrooibox financieel beheersbaar te houden. Zo geldt een plafond van viermaal de voortbrengingskosten en daarnaast voor de zgn. S&O-activa een absoluut maximum van € 400.000.
Het kabinet stelt voor om deze octrooibox een ruimer bereik te geven. Het tarief wordt verlaagd naar 5% en de plafonds worden geschrapt. Hierdoor wordt de octrooibox – die zal worden omgedoopt tot innovatiebox – met name aantrekkelijker voor software en bedrijfsgeheimen, die óf niet octrooieerbaar zijn óf bedrijven vanwege de gevoelige bedrijfsinformatie niet laten octrooieren.

In de nieuwe regeling wordt vastgelegd dat het tarief van 5% uitsluitend geldt voor de positieve voordelen . Daardoor kunnen verliezen uit de innovatiebox volledig tegen het gewone VPB-tarief van 25,5% in aanmerking worden genomen.

4.   Vereenvoudiging verpakkingenbelasting
De drempel voor de belastingplicht voor de verpakkingenbelasting wordt verhoogd van 15.000 kilo naar 50.000 kilo. Dat betekent dat bedrijven die minder dan 50.000 kilo verpakking in het economisch verkeer brengen vanaf 2010 niet meer belastingplichtig zijn voor de verpakkingenbelasting. Deze versoepeling wordt gecompenseerd in de tarieven: die gaan met ruim 8% stijgen.

DE DIRECTEUR-GROOTAANDEELHOUDER IN 2010

1.   Doorschuiven AB-claim bij schenking en vererving van AB-aandelen
Bij het schenken en vererven van aanmerkelijk-belangaandelen is de schenker/erflater 25% inkomstenbelasting verschuldigd over de meerwaarde van de aandelen. De wet biedt sinds jaar en dag de mogelijkheid om bij vererving van AB-aandelen deze 25%-heffing door te schuiven naar degenen die de aandelen erven. Bij schenking van AB-aandelen kent de wet momenteel géén doorschuiffaciliteit. De Invorderingswet kent voor deze situatie wél de mogelijkheid van uitstel van betaling van de verschuldigde belasting voor een periode van maximaal tien jaar. Het kabinet vindt het onevenwichtig dat er wel een doorschuiffaciliteit bij overlijden is, en geen doorschuiffaciliteit voor schenkingen. Een gevolg daarvan kan zijn dat de bedrijfsopvolging bij BV’s wordt uitgesteld tot bij overlijden, en dat is vanuit economisch oogpunt niet wenselijk. Het kabinet stelt daarom voor om ook bij schenking van AB-aandelen een doorschuiffaciliteit in te voeren.

De doorschuifregeling gaat uitsluitend gelden voor aandelen in een BV die een materiële onderneming drijft: de faciliteit blijft beperkt tot het ondernemingsvermogen in de BV. De AB-claim die toerekenbaar is aan het beleggingsvermogen in de BV moet bij schenking of vererving direct worden afgerekend. De eis dat de BV een materiele onderneming moet drijven gaat gelden bij schenking én bij vererving van AB-aandelen. De huidige doorschuifregeling bij overlijden kent die voorwaarde niet. DGA’s met een AB in een beleggingsvennootschap moeten er dan ook rekening mee houden dat de AB-claim bij hun overlijden niet meer kan worden doorgeschoven. Zij kunnen die afrekening slechts voorkomen door in de beleggings-BV een (nieuwe) materiële onderneming te starten of door te emigreren.

Om de pijn van de aangescherpte doorschuiffaciliteit bij vererving te verzachten, komt er een tegemoetkoming voor de situatie waarin binnen twee jaren na de vererving van de AB-aandelen, waarbij de AB-claim over het beleggingsvermogen in de vennootschap is afgerekend, de BV dat beleggingsvermogen (deels) als dividend uitkeert. Dat dividend blijft, op verzoek, onbelast, mits dat wordt afgeboekt op de verkrijgingsprijs van de door vererving verkregen aandelen.
Het kabinet heeft aangekondigd dat er voor de verzwaarde doorschuifregeling bij overlijden een bescheiden overgangsmaatregel zal worden getroffen. Deze ziet op holding-BV’s die vóór 2010 de aandelen in één of meer werkmaatschappijen hebben overgedragen tegen een vordering op de koper. Die vordering wordt dan als ondernemingsvermogen aangemerkt, zodat in geval van overlijden de doorschuifregeling (toch) van toepassing is.

2.   Uitstel van betaling over AB-inkomen versoepeld
De Invorderingswet kent de mogelijkheid van uitstel van betaling van de verschuldigde AB-heffing als de AB-houder bij de overdracht van zijn aandelen geen contanten verkrijgt. Denk aan de schenking van AB-aandelen, of de verkoop tegen een vordering. De uitstelregeling gaat vervallen bij schenking van AB-aandelen: door de invoering van de doorschuiffaciliteit zoals hiervoor vermeld is de regeling overbodig. Voor andere situaties –vooral de overdracht van aandelen waarbij de koper de koopsom schuldig blijft – zal de uitstelregeling worden verruimd: de beperking tot de familiekring komt te vervallen.

3.   TBS-pand belastingvrij naar de BV
Het kabinet wil DGA’s in 2010 eenmalig de mogelijkheid te bieden om een pand dat zij aan hun BV verhuren (TBS-pand) belastingvrij in te brengen in een BV. Bij een recht-toe, recht-aan overdracht van het pand aan de BV is de DGA inkomstenbelasting verschuldigd over de meerwaarde van het pand én kost die overdracht 6% overdrachtsbelasting over de werkelijke waarde van dat pand. Het kabinet is bereid die heffingen onder voorwaarden eenmalig in 2010 achterwege te laten. De DGA kan zijn TBS-pand inbrengen in de BV waaraan hij dat ter beschikking stelt, maar ook aan een ander, nieuw opgerichte BV. De eenmalige inbrengfaciliteit geldt uitsluitend voor onroerende zaken, niet voor andere vermogensbestanddelen die de DGA aan zijn BV ter beschikking stelt. Wel zijn er nadere voorwaarden verbonden aan deze eenmalige vrijstelling.

Specifiek voor de vrijstelling van de overdrachtsbelasting geldt als voorwaarde dat de TBS-situatie al vóór 1 september 2009 bestond. Voorts gelden voor deze vrijstelling twee voorwaarden: de DGA moet zijn belang van 90% of meer in het aandelenkapitaal van de BV tenminste drie jaren behouden, én de BV moet ten minste drie jaren na de inbreng in het bezit blijven van de ingebrachte onroerende zaak.

4.   Invoering TBS-vrijstelling
Het kabinet wil het effectieve tarief voor de TBS-regeling verminderen. Voorgesteld wordt om in de TBS-regeling een faciliteit in te voeren die soortgelijk is aan de MKB-winstvrijstelling. Voorgesteld wordt om 12% van het TBS-resultaat vrij te stellen.

5.   HIR en KER ook in de TBS
Voorgesteld wordt om de herinvesteringsreserve (HIR) en de kostenegalisatiereserve (KER) vanaf 2010 ook toe te staan bij toepassing van de TBS-regeling.

6.Gebruikelijk loon tot € 5.000 per jaar: fictief-loonregeling vervalt
Het kabinet erkent dat de fictief-loonregeling tot onevenredig zware administratieve lasten leidt als het gebruikelijke loon erg laag is. In dergelijke situaties verricht de DGA nauwelijks werkzaamheden voor zijn BV (bijvoorbeeld bij een beleggings-BV), en moet er toch een loonadministratie worden opgezet en elke maand weer aangifte loonheffingen worden gedaan. Het kabinet stelt voor om de fictief-loonregeling (binnen de loonbelasting) te laten vervallen als het gebruikelijk loon niet hoger is dan € 5.000 per jaar.
Financiën heeft, tegelijk met het Belastingplan 2010, bekend gemaakt, dat het gebruikelijk loon in 2009 of 2010 lager kan worden vastgesteld als zich in die jaren aanzienlijke omzetdalingen voordoen.

7.   Versoepeling pensioen in eigen beheer en loondervingstamrechten
De DGA mag zijn pensioen in eigen beheer, binnen de eigen BV opbouwen. Onder de huidige wettelijke regeling moet die BV in Nederland gevestigd zijn en moet de BV de pensioenverplichting voor de heffing van de vennootschapsbelasting tot het binnenlands ondernemingsvermogen rekenen. Die vereisten lijken in strijd met het EU-recht. Vandaar dat voorgesteld wordt voortaan ook eigen-beheerlichamen die zijn gevestigd in een andere lidstaat van de EU toe te staan als pensioenverzekeraar van de DGA. Deze wetgeving zal eveneens gaan gelden voor ontslagvergoedingen, die kunnen worden ondergebracht bij een BV.

WERKGEVERS EN WERKNEMERS

1.   Naar een uniform loonbegrip
De grondslagen voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen, de premieheffing werknemersverzekeringen en de Zorgverzekeringswet worden geüniformeerd. Daardoor treedt er een aanzienlijke besparing aan administratieve lasten op bij werkgevers, wordt de loonaangifteketen bij de Belastingdienst en het UWV efficiënter, én het loonstrookje van de werknemer wordt een stuk eenvoudiger. De uniformering moet ingaan per 1 januari 2011.
Het wetsvoorstel Uniformering loonbegrip omvat de volgende voorstellen:
–   afschaffen van het werknemersdeel van de ww-premie;
–   de bijdrage in de levensloopregeling wordt aftrekbaar voor de
    premieheffing werknemersverzekeringen;
–   de bijtelling voor privé-gebruik van de auto van de zaak wordt onder
    de premieheffing werknemersverzekeringen gebracht;
–   de werkgeversvergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage
    Zorgverzekeringswet wordt afgeschaft.

2.   Naar een werkkostenregeling
Het merendeel van de 29 (gedeeltelijk) onbelaste vergoedingen en verstrekkingen die werkgevers aan hun werknemers kunnen verstrekken, gaat vervallen. Hiervoor in de plaats komt een werkkostenregeling, op grond waarvan de werkgever de werknemer maximaal 1,5% van zijn loonsom belastingvrij kan vergoeden.
Daarnaast blijft een beperkt aantal vergoedingen bestaan dat net als nu altijd belastingvrij kan worden verstrekt. Denk aan reiskosten, tijdelijke verblijfkosten, cursussen en dergelijke, etc. Voor verstrekkingen (in natura) geldt hetzelfde. Hieraan verandert niets met dien verstande dat een verhuiskostenvergoeding alleen nog maar belastingvrij zal zijn als er sprake is van een bedrijfsverplaatsing. Andere verhuiskostenvergoedingen vallen onder de nieuwe 1,5%-regeling.

De tweede categorie omvat vergoedingen van zaken die werkplek-gerelateerd zijn. Denk aan consumpties onder werktijd, mobiele telefoon, etc. Deze kunnen geheel of gedeeltelijk zijn vrijgesteld. Als de werkgever deze verstrekt geldt hetzelfde: ze worden op nihil gewaardeerd of er wordt een lagere waarde vastgesteld.

Vergoedt of verstrekt de werkgever meer dan 1,5% van de loonsom, dan is de werkgever over dat meerdere een eindheffing van 80% verschuldigd. De werkgever mag, als dat met de werknemer is afgesproken, de vergoeding of verstrekking ook als loon benoemen en gewoon loonbelasting inhouden. In dat laatste geval zijn ook premies werknemersverzekeringen verschuldigd.
Voor de auto van de zaak en het verstrekken of ter beschikking stellen van woonruimte blijven de huidige regels gelden.

Omdat deze nieuwe regels ingaan op 1 januari 2011, moeten werkgevers vóór die datum nieuwe afspraken met hun werknemers.

3.   Uitbreiding afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk
Het bedrag waarover Afdrachtvermindering S&O kan worden verkregen gaat éénmalig (voor het jaar 2010) verder omhoog. De maximale loongrens gaat omhoog van € 150.000 naar € 220.000.

4.   Vereenvoudiging heffingskortingen
Met ingang van 1 januari 2011 worden de doorwerkbonus en de arbeidskorting samengevoegd in een (nieuwe) doorwerkbonus, die neerkomt op een verhoogde arbeidskorting voor de belastingplichtige die vanaf een bepaalde leeftijd doorwerkt.

5.   Auto van de zaak
Voor een auto van de zaak blijft de huidige regeling voor de bijtelling voor het privé-gebruik van toepassing. Als de auto van de zaak op jaarbasis meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, geldt in beginsel een bijtelling van 25% van de cataloguswaarde. Voor bestelbussen die wisselend door werknemers worden gebruikt en voor oldtimers gelden afwijkende regels. De bijtelling bedraagt 20% voor zuinige auto’s en 14% voor zeer zuinige auto’s. Voor elektrische auto’s (auto’s met een CO2 uitstoot van 0 gram per kilometer) bedraagt de bijtelling in 2010 en 2011 0%. Voor de jaren 2012, 2013 en 2014 zal de bijtelling 7% gaan bedragen.

6.   Vrijstelling kleine baan
Voor jongeren tot 23 jaar met ‘een kleine baan’verdwijnt de inhoudingsplicht. De premieheffing wordt per 1 januari 2010 afgeschaft. Eveneens verdwijnt vanaf 2010 de verplichting deze werknemers een inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet te verstrekken. De inhouding van de loonbelasting/premie volksverzekeringen wordt per 2011 afgeschaft. Wat onder een kleine baan wordt verstaan is afhankelijk van de leeftijd van de werknemer. De loonbedragen waarbij een dienstbetrekking als kleine baan wordt aangemerkt verschillen per leeftijd.

7.   Uitbreidingen afdrachtvermindering onderwijs
De afdrachtverminderingen onderwijs (loonkostensubsidies die onder andere van toepassing zijn als de werknemer een bepaalde opleiding volgt) worden uitgebreid. De afdrachtvermindering onderwijs die geldt als een werknemer een opleiding volgt om het startkwalificatieniveau te behalen, wordt opgerekt.
Daarnaast komt er een afdrachtvermindering onderwijs bij. Deze bedraagt € 500 per werknemer die in 2010 gaat beginnen met een ‘serieuze’ opleiding, die relevant is voor zijn huidige of toekomstige functie bij de werkgever. De afdrachtvermindering is alleen van toepassing op werknemers die in 2010 met een dergelijke opleiding beginnen en geldt vooralsnog ook alleen voor 2010. Als voorwaarde geldt daarnaast dat de werkgever tenminste 50% van de opleidingskosten draagt. De afdrachtvermindering is niet van toepassing als (met uitzondering van de afdrachtvermindering voor EVC-procedures) ten aanzien van de opleiding één of meer van de andere afdrachtverminderingen van toepassing zijn.

8.   Loon in, loon over
Als een inhoudingsplichtige met betrekking tot verstreken loontijdvakken binnen het kalenderjaar loon verstrekt, mag de inhoudingsplichtige dat loon (overeenkomstig een door hem bestendig gevolgde gedragslijn) aan de desbetreffende loontijdvakken toerekenen, zo nodig door middel van het indienen van correctieberichten. Dat loon wordt voor de berekening van de inhouding gerekend tot het loon van het desbetreffende loontijdvak en wordt geacht in die tijdvakken te zijn genoten. Deze goedkeuring blijft ook gelden voor 2010.

OVERDRACHTSBELASTING

1.   Vervallen monumentenvrijstelling overdrachtsbelasting
De vrijstelling voor de verkrijging van Rijksmonumenten vervalt per 1 januari 2010. Dat is opmerkelijk, omdat Financiën eerder dit jaar – na een uitspraak van de belastingrechter – de monumentenvrijstelling heeft verruimd tot de verkrijging van Rijksmonumenten door natuurlijke personen.

OMZETBELASTING

1.   Aanpassen reikwijdte integratieheffing
De Wet op de omzetbelasting 1968 kent een zogenaamde integratieheffing op goederen die in het eigen bedrijf vervaardigd zijn, indien deze goederen door de ondernemer (deels) voor vrijgestelde prestaties gebruikt. De integratieheffing is een fictieve levering. Bij beleidsbesluit is onder voorwaarden goedgekeurd dat de integratieheffing voor bepaalde sectoren buiten toepassing kan blijven. Het gaat dan onder andere om woningcorporaties, ziekenhuizen en verzorgingstehuizen.
Dit keuzerecht blijkt in strijd te zijn met de Europese BTW-richtlijn. Het kabinet heeft daarom besloten dit beleidsbesluit per 1 januari 2010 in te trekken. Deze intrekking gaat gepaard met een redelijke overgangsregeling.

2.   Schilder- en stukadoorswerk
Voor schilder- en stukadoorswerkzaamheden geldt het lage BTW-tarief van 6%, mits de werkzaamheden worden uitgevoerd aan woningen van 15 jaar of ouder. Dit verlaagde tarief wordt structureel gemaakt en verruimd. Het lage tarief is vanaf 2010 van toepassing op werkzaamheden aan woningen van twee jaar en ouder. Deze versoepeling zal met terugwerkende kracht tot 15 september 2009 in werking treden.

FORMEEL RECHT

1.   Boetebeleid aangepast
De maximale verzuimboete voor het niet, niet tijdig of niet volledig doen van aangifte voor een aanslagbelasting wordt verhoogd van € 1.134 naar € 4.920. Met ingang van 1 januari 2009 zijn deze verzuimboetes in beginsel gefixeerd op een vast percentage van 20% van het maximumbedrag voor de inkomstenbelasting en 50% voor de vennootschapsbelasting.

Voorgesteld wordt om een verzuimboete in te voeren voor het niet, gedeeltelijk niet, of niet tijdig betalen van een aanslagbelasting. Deze verzuimboete kan worden opgelegd voor verzuimen die zijn begaan op of na 1 januari 2011. Als een aanslagbelasting (gedeeltelijk) niet of niet tijdig wordt betaald, is dit een verzuim waarvoor een boete kan worden opgelegd naar een maximumbedrag van € 4.920. Deze boetes zullen niet via een geautomatiseerd systeem opgelegd worden, maar uitsluitend in situaties waarin sprake is van het stelselmatig niet betalen van belastingschulden.

2.   Startdatum heffingsrente
Als startdatum voor de berekening van de heffingsrente voor de inkomsten- en vennootschapsbelasting gaat voortaan weer de eerste dag na het einde van het belastingjaar gelden. Dat is een grote vereenvoudiging ten opzichte van de huidige situatie, waarbij een startpunt geldt van 1 juli van het belastingjaar zelf.

3.   Uitbreiding navorderingsbevoegdheid inspecteur
Voorgesteld wordt dat de inspecteur de verschuldigde belasting kan navorderen als de belastingaanslag, ten gevolge van een fout, voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar onjuist is vastgesteld ofwel een aanslag achterwege is gebleven. Daarbij kan het zowel gaan om een fout van de inspecteur bij het verwerken van de aanslag als een fout van de belastingplichtige bij het elektronisch invullen van de aangifte. In één oogopslag moet het voor de belastingplichtige duidelijk zijn dat de aanslag onjuist is. Het gaat er om dat de belastingplichtige met een gemiddelde kennis van en inzicht in het fiscale recht, moet kunnen onderkennen dat de aanslag onjuist is.
Navordering op grond van dit kenbaarheidvereiste is alleen mogelijk gedurende twee jaren na het opleggen van de belastingaanslag, dan wel het besluit geen aanslag op te leggen.

4.   Uitbreiding naheffingsbevoegdheid inspecteur
Voorgesteld wordt om de naheffingsbevoegdheid van de inspecteur uit te breiden. Naheffing zal mogelijk zijn in alle gevallen waarin een verzoek van de belastingplichtige of inhoudingsplichtige ten grondslag ligt aan de vrijstelling of de vermindering van belasting, of de teruggaaf van belasting.

5.   Schriftelijke melding betalingsonmacht
In de Invorderingswet 1990 zal worden vastgelegd dat de melding betalingsonmacht voortaan schriftelijk moet plaatsvinden. Dat kan zowel een papieren als een digitale melding zijn. De bestuurder kan gebruikmaken van een meldingsformulier dat te downloaden is vanaf de website van de Belastingdienst.

ALGEMEEN – PRIVÉ

1.   Eigen woning: herleving renteaftrek na tijdelijke verhuur
Huiseigenaren die onlangs een nieuwe woning hebben gekocht, hebben soms grote problemen met de verkoop van hun ‘oude’ woning. Dan kan financiële problemen veroorzaken: de dubbele financieringslasten op de nieuwe én de oude woning, kunnen problematisch zijn. De wet staat een renteaftrek op de oude woning toe, ook al wordt die niet meer als eigen woning benut, en wel gedurende ten hoogste twee jaren na het betrekken van de nieuwe woning. Voor die renteaftrek gelden diverse voorwaarden. Zo is het niet toegestaan om de woning te verhuren.

Financiën keurt nu alsnog goed dat wanneer de huiseigenaar zijn ‘oude ‘woning tijdelijk gaat verhuren, hem dat geen inkorting van de renteaftrek op die woning oplevert. Als de oude woning tijdelijk wordt verhuurd en de verhuurm wordt weer beëindigd, dan herleeft de renteaftrek op deze woning. De rente kan dan nog als aftrekpost worden opgevoerd gedurende resterende periode van de maximaal twee jaar extra renteaftrek. Deze maatregel geldt uitsluitend voor de belastingjaren 2010 en 2011. Ook als de woning al in 2008 of 2009 is verhuurd.

2.   Vereenvoudiging eigenwoningregeling
De bijleenregeling wordt op drie punten vereenvoudigd. Het betreft het uitbreiden van de renteaftrek over de meegefinancierde kosten, het afschaffen van de goedkoperwonenregeling en het beperken van de eigenwoningreserve van vijf naar drie jaar.

3.   Stroomlijning partnerbegrip
In de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) wordt een basispartnerbegrip opgenomen. In de afzonderlijke heffingswetten kan het basispartnerbegrip worden uitgebreid of kunnen de voorwaarden worden aangevuld. De keuzeregeling voor de inkomstenbelasting vervalt daarbij. Het partnerbegrip voor de inkomstenbelasting en toeslagen wordt geharmoniseerd. Om voor de uitvoering voldoende tijd beschikbaar te hebben, worden het uniforme partnerbegrip en de daarmee samenhangende wijzigingen per 1 januari 2011 ingevoerd.

4.   Vereenvoudiging box 3

Voorgesteld wordt om in box 3 één peildatum in te voeren. Onder de huidige wettelijke regeling gelden twee peildata om het voordeel uit sparen en beleggen in box 3 te bepalen: 1 januari en 31 december. Voorstel is om per 2011 nog maar één peildatum te hanteren: 1 januari van het kalenderjaar.

Op basis van de huidige wettekst kunnen partners voor box 3 per vermogensbestanddeel een keuze maken in de onderlinge verdeling daarvan. Het kabinet stelt voor om de verdeling voortaan alleen mogelijk te maken voor de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen (= de gemiddelde rendementsgrondslag van de belastingplichtige en zijn partner, verminderd met het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige en zijn partner).

De waarde van box 3-woningen wordt gesteld op de WOZ-waarde (in plaats van de waarde in het economisch verkeer). Voor woning in verhuurde staat (die onder de huurbescherming vallen, dus niet vakantiewoningen) wordt de WOZ-waarde gecorrigeerd, rekening houdende met de waardedrukkende werking van de verhuur. Ook erfpachtcanons kunnen in mindering worden gebracht op de WOZ-waarde (voor box 3).

Het kabinet introduceert een vrijstelling van contant geld en daaraan gelijk te stellen vermogensrechten van € 500 per belastingplichtige (€ 1.000 voor partners).

5.   Persoonsgebonden aftrek en schulden in box 3
De Hoge Raad heeft in een recente procedure beslist dat voor giften in de vorm van een lijfrente een dubbele aftrek geldt. De gift zelf is als persoonsgebonden aftrekpost aftrekbaar in box 1, en de verplichting om die gift ook in de resterende (vier) jaren te doen is aftrekbaar in box 3. Hetzelfde geldt ten aanzien van alimentatieverplichtingen. Het kabinet vindt deze dubbele aftrek niet wenselijk, en gaat de wet op dit punt per 31 december 2009 wijzigen. Door dit ingangstijdstip is de schuld dit jaar al niet meer aftrekbaar.

6.   Banksparen uitgebreid
Op 1 januari 2008 is het mogelijk geworden lijfrenten bij een bankinstelling onder te brengen en fiscaal gefacilieerd te sparen voor de aflossing van de eigenwoningschuld. Het Belastingplan 2010 stelt een uitbreiding van het banksparen voor, door het mogelijk te maken een goudenhanddrukstamrecht (ontslagvergoeding) en ook het sparen voor de uitvaart (box 3) onder te brengen bij een bankinstelling.

7.   Schenkings- en successierecht
Vanaf 1 januari 2010 kunnen belastingaanslagen voor het successierechten in box 3 in aftrek worden gebracht. Ook wordt er vanaf die datum heffingsrente berekend over successierechten wanneer de aangiftetermijn van acht maanden is verstreken.

8.   Vereenvoudiging lijfrenten/pensioenen
De terugwentelingstermijn voor lijfrentepremies komt te vervallen. Deze terugwenteling is overbodig aangezien alle benodigde gegevens voor de berekening van de lijfrentepremieaftrek tegenwoordig tijdig beschikbaar zijn. De terugwentelingstermijn blijft wel bestaan voor lijfrentepremies bij staking van een onderneming en/of de omzetting van de oudedagsreserve.
Daarnaast wordt voorgesteld een termijn in de wet op te nemen, waarbinnen een begunstigde na expiratie van een lijfrentecontract een keuze heeft gemaakt over de uitvoering van zijn lijfrente.

FISCALE VERGROENING

In het kader van de fiscale vergroening worden per 1 januari 2010 weer vele maatregelen voorgesteld. Met name voor wat betreft auto’s. Vermeldenswaard zijn de volgende maatregelen:
–   een hogere BPM-korting van € 700 voor zuinige auto’s;
–   de invoering van een nihiltarief voor zeer zuinige auto’s in de MRB;
–   een intensivering van investeringsfaciliteiten voor zeer zuinige auto’s;
–   een verlaging bijtelling privégebruik voor nulemissieauto’s;
–   een verlenging vrijstelling voor nulemissie in de BPM;
–   een stimulans voor Euro-6 dieselpersonenauto’s in de BPM.
Hans Zwagemaker (BelastingBelangen)

Laat je mening horen!

Laat een reactie achter.
mocht je een afbeelding wensen bij je reactie, klik dan hier gravatar!

Of kies uit nieuws categorieën